Gevonden door Jos Hagens

Materiaal: koper
Diameter: 21 mm
Gewicht: 2,10 gr
Voorzijde: Een versiering van vier bogen (vierpas) met daarin de tekst CIV TRAIECT in twee regels en daaronder het jaartal 1667
Keerzijde: Het stadswapen van Utrecht aan weerszijden vastgehouden door leeuwen. De lelie boven het wapen is komen te vervallen maar er staat wel een kroon boven. In het kwartier linksonder horizontale strepen (5). Dit is om de kleur blauw (azuur) aan te geven in de heraldiek. Tekst onder het wapen: UTRECHT

Muntmeester: Johan van Rijnevelt 1662 – 1673
Muntmeesterteken: Er zijn op de koperen munten van de stad Utrecht geen muntmeestertekens gebruikt.
Slagplaats: Utrecht
Wettelijk voorschrift: de diverse jaren zijn steeds gelagen volgens aparte besluiten van de Utrechtse stadsraad.
November 1657 – januari 1658, oplage ongeveer 976.000 stuks samen met het jaar 1657 van het type UTR.13 en UTR.14, gewicht niet bekend.
1659 en 1661, oplage en gewicht niet bekend.
Juni – juli 1663, oplage ongeveer 333.816 stuks, gewicht 2,92 gram.
Juli – augustus 1663, oplage ongeveer 431.760 stuks, gewicht 2,92 gram.
Augustus – september 1664, oplage ongeveer 358.540 stuks, gewicht 2,70 gram.
Juni – juli 1665, oplage ongeveer 238.520 stuks, gewicht 2,77 gram.
April – juni 1666, oplage ongeveer 592.920 stuks, gewicht 2,73 gram.
Oktober – november 1666, oplage ongeveer 593.537 stuks, gewicht 2,77 gram.
Maart – mei 1667 oplage ongeveer 761.440 stuks, gewicht 2,68 gram.
Augustus – oktober 1667, oplage ongeveer 829.600 stuks, gewicht 2,80 gram.
Maart – mei 1668, oplage ongeveer 772.624 stuks, gewicht 2,86 gram.
Januari – maart 1670, oplage ongeveer 850.140 stuks, gewicht 2,74 gram.
April – mei 1670, oplage ongeveer 139.830 stuks, gewicht 2,78 gram.
April – juni 1671, oplage ongeveer 1.336.500 stuks, gewicht 2,74 gram.
Januari – april 1676, oplage ongeveer 641.914 stuks, gewicht 2,70 gram.
Van de overige jaren zijn geen archiefstukken aanwezig dus is hier niets van bekend buiten een overzicht van in 1687 en 1688 aan de munt geleverde muntstempels door de stempelsnijder Pieter van Cuijlenborch. Deze heeft van januari tot en met juli 1687 een hoeveelheid van 28 voeten en 74 overijzers afgeleverd. Per overijzer kunnen ongeveer 20.000 duiten zijn geslagen waardoor de oplage van 1687 (samen met 1687 van type UTR.16) ongeveer 1.480.000 stuks kan zijn geweest.
Deze duiten komen ook voor met de klop “Utrechts wapenschildje”. Deze klop kon worden aangebracht op 16 en 17 januari 1702 en was bedoeld om de duiten circulatie binnen de stad Utrecht te saneren (zie ook de informatie na type UTR.16). Sporadisch komen er exemplaren voor met een klop van de stad Deventer (adelaar) en de stad Zwolle (kruis). Deze kloppen dateren uit dezelfde periode. Er komen ronde plakken lood voor waar met kracht de indruk van een duit in heeft gemaakt. De afbeelding van de duit staat dan incuse in het plak lood gedrukt. De reden voor deze maaksels zal speelgeld of iets dergelijks zijn geweest. Zie hier een vroeg voorbeeld van een Utrechts exemplaar.
UTR.15
Gedetermineerd door Jos Hagens