Blijf op de hoogte en abonneren je, geheel vrijblijvend en gratis !
Interne links, waarom zijn ze belangrijk? In deze database openen alle interactieve elementen—zoals blauwe links in het bericht — , namen van de muntheer, PDF-documenten, referenties, menu-items e.d. altijd in een nieuw tabblad wanneer u erop klikt. Dit zorgt voor een naadloze gebruikerservaring.
Voorzijde: Hoofd van Nero met stralenkroon naar rechts. Teks: ?
Keerzijde: Victoria. Tekst: ?
Vermoedelijk betreft deze bronzen munt een zgn. “Barbaarse imitatie”.. de verbasterde en bijna onleesbare randtekst is een kenmerk hiervan. Ook de stralenkroon en de toch wat stilistische afbeelding van de keizer (welke?) spreekt dit niet tegen. Germaanse muntateliers probeerden munten na te maken. Ook de zgn. Tetricus vervalsingen zijn een mooi voorbeeld hiervan. De klop (AV?) lijkt te zijn aangebracht om de imitatie te accepteren binnen hun eigen netwerk.
Gedetermineerd door Laurens Flokstra en Balten De Temmerman
Voorzijde: Een tulpkrans met daarin de tekst DVC GEL 1626, voluit: Ducatus Gelriæ, wat betekent: Hertogdom Gelderland.
Keerzijde: Wapen van Gelderland welke wordt omgeven door een veelbogige versiering. Tekst: mt • IN • DEO • SPES • NOSTRA • (of variant), wat betekent: onze hoop in de Heer.
Wapen van Gelderland
Muntteken: Gelders kruis
Muntmeester: Johan Alewijn 1606 – 1635
Variant met klein wapenschild binnen veelbogige versiering.
De berekening van de slagaantallen is volgens de uiterste remedie (120 uit een mark). Het jaartal 1625 uit deze serie wordt afgebeeld door Verkade en wordt vermeld in de verzameling van het museum van oudheden te Nijmegen. Aan het bestaan van dit jaartal moet echter sterk worden getwijfeld. Hier is hoogst waarschijnlijk een zeer gesleten exemplaar verkeerd gelezen. De ordonnantie voor deze duiten is afgegeven in 1626 en ook worden zij pas in de muntbus vermeld vanaf 1626. Het jaartal 1625 heb ik daarom niet opgenomen. In een interessante reactie op mijn artikel over deze serie duiten in De Beeldenaar van maart/april 2009 weet Willem van den Nieuwenhof in dezelfde Beeldenaar op blz. 84/85 enkele aanvullingen te geven. Het jaartal 1628 bestaat met een 8 die lijkt op een letter S. Mogelijk heeft Verkade dit cijfer geïnterpreteerd als een 5 en daarom dit jaartal opgenomen. Tevens weet van den Nieuwenhof een nieuwe tekstvariant te melden waarbij de tekst niet begint met een (Gelders) kruis maar slechts met een wat grotere punt. Verder merkt hij op dat er duiten bestaan waar men in het stempel een punt heeft geslagen over het laatste cijfer in het jaartal. De duit 163· die hier op de site afgebeeld staat schrijft hij ook aan een dergelijke actie toe en meent onder de punt het cijfer 5 te zien, ik zie dit echter niet bij dit exemplaar.
In juni 1640 kreeg men te Harderwijk het verzoek om 30 à 40 duiten beschikbaar te stellen voor onderzoek vanwege mogelijke knoeierijen met duiten door muntmeester Johan Weijntges. Uit zijn 1e muntbus opening bleken zijn duiten al “enigszins schraal” te zijn. Er zijn volgens de muntbus nooit duiten geslagen in 1640 maar is dit jaartal wel opgenomen in sommige catalogi. Hoogst waarschijnlijk werden in dit verzoek de duiten van 1635 en 1636 bedoeld. Waarschijnlijk net als bij de bezemstuivers kwamen de klachten nogal laat. Duiten van 1640 ben ik nimmer tegen gekomen en ook de bekende musea met grote verzamelingen bezitten hiervan geen exemplaar. Het jaartal 1640 heb ik op die grond laten vervallen. Welke duiten met het jaartal 1635 door Alewijn en welke door Weijntges zijn geslagen is niet te achterhalen. De duiten van 1635 heb ik daarom allen bij muntmeester Alewijn ingedeeld. Het jaartal 1635 bestaat met een kleine 5 in het jaartal en met een normale 5 in het jaartal. Mogelijk kan de grote of kleine 5 in het jaartal een teken van onderscheiding zijn tussen de twee muntmeesters in dat jaar. Ook valt op dat de tekst op de wapenzijde van het mij bekende exemplaar met een normale 5 in het jaar begint met een open rondje. In de juni-lijst 1999 van munthandel Henzen staat onder nummer 989 een duit 1628 vermeld. Volgens de beschrijving had dit exemplaar alle letters S in spiegelbeeld. Helaas kan dit nog niet bevestigd worden en de volledige tekstvariant (nog) niet worden beschreven. De afwijkende tekst CONCORDIA RES PAR CRES GEL op exemplaren van 1633 wordt wel in verband gebracht met de herovering van Roermond (zie bij PW 1008). Aangezien Roermond in 1632 werd heroverd en er ook een exemplaar van 1636 met deze tekst blijkt te bestaan komt deze aanname op losse schroeven te staan. Het jaartal 1631 werd reeds genoemd door Purmer en van der Wiel. Van dit jaar was ik nooit overtuigende exemplaren tegen gekomen. Er bestaan wel aardig wat duiten waarop het lijkt of het hier een exemplaar van 1631 betreft maar deze hebben allen een vreemd laatste cijfer in het jaartal welke meer op een mislukte 4 lijkt dan een echt cijfer 1, zie hier een voorbeeld. Uit een oude verzameling is nu toch een overtuigend exemplaar te voorschijn gekomen en kan het jaar 1631 definitief worden opgenomen. Ook bleek Teylers museum te Haarlem een exemplaar in de collectie te hebben. Een interessante variant is een duit uit deze serie met een ontbrekend laatste cijfer in het jaartal. De munt heeft alleen de cijfers 163 met een punt daar achter.
Voorschrift: ordonnantie van de Staten van Gelderland van 1626. Uit de snede zoals “op den voet van Hollant en West Frieslant” 116 stuks is ca. 2,12 gram per stuk. Remedie van 4 stuks in het mark. De sleischat was in zijn geheel voor de muntmeester.
Voorzijde: Een weelderige rococo stijl versiering met daarin in drie regels ✶♜✶ ZELAN DIA met 1 E en het jaartal.
Keerzijde: Een gekroond ovaalvormig wapenschild met leeuw in de golven. Het wapenschild is versierd in de zogenaamde rococo stijl. Tekst: LUCTOR ET EMERGO (of variant), wat betekent: ik worstel en kom boven. Het begin van de tekst begint bij dit type aan de linkeronderzijde van het wapenschild.
Wapen van Zeeland
Muntmeester: Martinus Holtzhey (zoon) 1764 – 1788
Muntteken: ♜
Slagplaats: Middelburg
Wettelijk voorschrift: (mij) niet bekend.
In 1765 werd gezocht naar een nieuw type duit. Uiteindelijk resulteerde dat in dit type. Er bestaat echter een proef uit 1765 met een afwijkend wapen welke in het bezit is van het Amsterdams Museum, zie HIER.
De vorm van de versiering onder aan het wapenschild kan mede behulpzaam zijn bij het determineren van een jaartal overslag. De duiten met het jaartal 1785 hebben b.v. een versiering van het type I onder het wapenschild. De duiten met de stempel verandering 1786/85 hebben ook dit type versiering. De “gewone” duiten van 1786 hebben echter een versiering van het type III onder het wapenschild. Dit hulpmiddel moet wel met enige voorzichtigheid gehanteerd worden omdat sommige jaartallen met alle drie de versieringstypen voorkomen. Zo komen de duiten van 1784 voor met alle drie de versieringstypes. Bij munthandel G. Henzen kwam in de augustuslijst 1999 onder nummer 1205 de overslag 1787 over 1783 voor. Omdat mogelijk verwarring kan bestaan met de overslag 1787 over 1786 (vermeld door Purmer en van der Wiel) heb ik deze overslag nog niet opgenomen.
De Staten van Holland en West-Friesland herhaalden in een plakkaat van 24 mei 1769 nog eens dat alleen de duiten geslagen te Holland en West-Friesland gangbaar waren. De Staten-Generaal namen de inhoud van dit plakkaat grotendeels over op 24 augustus 1769. Zij stelden in dit plakkaat dat binnen de grenzen van de Republiek alleen kopergeld mocht circuleren dat daar ook geslagen was. Zeeland volgde door in hun plakkaat te stellen dat binnen hun grenzen alleen de Zeeuwse duiten geldig waren. Mogelijk vanwege dit over en weer elkaars duiten verbieden is er op 13 november 1769 een resolutie verschenen van de Staten-Generaal. Hier in werd alle provincies bevolen voortaan duiten te slaan op de voet van Holland. Deze resolutie heb ik (nog) nergens terug kunnen vinden. Hij wordt ook niet vermeld bij van Gelder. Er wordt naar gerefereerd in een plakkaat van Holland en West-Friesland waar in de duiten van andere provincies werden toegelaten mits geslagen na 1769. Deze resolutie kan de plotselinge veranderingen in de diverse provincies voor wat betreft de aanmunting van duiten verklaren.