Gevonden door Mike Crawat De Stickere – vondst uit Denemarken ( ID-223253 )
Materiaal: zilver 888 / 1000
Diameter: ?: uitgifte: 25 mm
Gewicht: ?: uitgifte: ca. 2,923 gr
Voorzijde: Gekroonde buste naar rechts. Tekst tussen twee parelcirkels: CHRISTIANVS• IIII• D፡G፡ DAN 1608
Keerzijde: Boven een ovaal wapenschild de denominatie in drie regels: .VIII. DANSKE SKILLING Tekst tussen twee parelcirkels: NORWEGI• VAN DA፡ GOTO፡ REX ☘
Muntheer: Albrecht & Isabella, landvoogden van de Zuidelijke Nederlanden, 1598-1621.
Materiaal: zilver 896 / 1000
Diameter: 25 mm
Gewicht: 1,9 gr; uitgifte ca. 3,06 gr
Voorzijde: Het gekroond wapenschild van de landvoogden omhangen met de keten van de Orde van het Gulden Vlies. Tekst: ALBERTVS.ET. – ELISABET.D:G.
1: Hongarije: in rood 3 zilveren balken. 2: Bohemen: in rood een zilveren leeuw. 3: Castilië: in rood een gouden kasteel, blauw gesloten en verlicht. 4: Leon: in zilver een goud gekroonde purperen leeuw. 5: Aragon: in goud vier rode palen. 6: Sicilië: schuingevierendeeld met in de bovenste en onderste halve ruit in goud 4 rode palen (Aragon), in de twee halve zijruiten in zilver een zwarte adelaar (Hohenstaufen). 7: Portugal: in zilver 5 blauwe schildjes (geplaatst 1.3.1) beladen met 5 pesanten van zilver (geplaatst 2.1.2). Een rode schildzoom beladen met 7 gouden kastelen (quinas). 8: Oostenrijk: in rood met een zilveren dwarsbalk. 9: Nieuw Bourgondië: blauw met gouden lelies, een schildzoom geblokt van rood en zilver. 10: Oud Bourgondië: geschuinbalkt van goud en blauw van zes stukken en rood omzoomd. 11: Brabant: in zwart een gouden leeuw, rood getongd. 12: Vlaanderen: in goud een zwarte leeuw, rood getongd. 13: Tirol (in zilver een rode adelaar, gekroond, gebekt, en gepoot van goud. De vleugels beladen met twee gouden klaverbladstengels.
Keerzijde: Gekroond Bourgondisch takkenkruis met onderaan het juweel van het Gulden Vlies, ter weerszijde de initialen A en E. Tekst: ARCHIDVCES.AVST.DVCES.BVRG.ET.BRAB.Z.
Voorzijde: Schildvormig wapen met twee naar links kijkende vogels bovenaan, een centrale diagonale band van links naar rechts en een naar links kijkende vogel onderaan.
Keerzijde: In drie regels CAR / SAY / 1669
Het zegel is voor een soort stof genaamd kersey, een veelvoorkomende, goedkope wollen stof (Egan 1994, 75) die werd geproduceerd in Devon, Hampshire en Yorkshire (Montgomery 1984, 272-3). Dit zegel dateert uit de periode 1660-1669.
Voorzijde: Een leeuwtje tussen twee versieringen, daaronder FRISIA in één regel en het jaartal tussen twee bollen. Onder het jaartal een rozet tussen versieringen.
Keerzijde: Gekroond wapen van Friesland met twee gaande leeuwen boven elkaar. Het wapen heeft aan de rand weer versieringen (4).
Wapen van Friesland
Muntmeester: Daniël Valckenier 1659 – 1688
Muntteken:
Slagplaats: Leeuwarden
Ik schreef eerder dat aan de jaren 1684 en 1688 die hier en daar vermeld werden sterk getwijfeld moest worden. Het jaar 1684 is nu met duidelijk jaartal terug gevonden (zie foto) en is ook gemeld in het Fries museum te Leeuwarden maar deze kan ik nog niet bevestigen. Het KPK, nu opgenomen in het nationale geld en bankmuseum zou een 1688 bezitten maar deze heb ik daar niet terug gevonden. In het jaar 1687 zijn geen duiten geslagen en mogelijk wilde de muntmeester in 1688 hier weer mee beginnen maar werd hem dit verboden. De exemplaren die wel voor 1688 worden aangezien zijn van 1685. De 5 in dat jaartal is soms zo gevormd dat deze op een cijfer 8 lijkt. Van de jaren 1686 en 1691 bestaan valse exemplaren. Beide jaren zijn met 1 exemplaar aanwezig in de vondst Brabant 1701. Soms komen misslagen of foutslagen voor zoals DEZE van Friesland. Waarschijnlijk is een geslagen duit aan het stempel blijven hangen en heeft niet het stempel maar de aanklevende munt een zijde van de munt geslagen. Een exemplaar met het jaartal 1686 is bekend overslagen over een Franse Double Tournois, zie HIER.
Wettelijke voorschrift: nadat er in 1675 duiten zijn geslagen verboden de gedeputeerde Staten van Friesland volgens resolutie van 17/27 februari 1676 verdere aanmunting. In 1681 is er blijkbaar weer toestemming tot aanmunting gegeven waarna op 27 maart 1688 de muntmeester opdracht kreeg om geen duiten meer te slaan. Op 1 maart 1689 werd een verbod op de aanmaak van duiten afgekondigd.
Voorzijde: Een tulpkrans met daarin de tekst DVC GEL 1626, voluit: Ducatus Gelriæ, wat betekent: Hertogdom Gelderland.
Keerzijde: Wapen van Gelderland welke wordt omgeven door een veelbogige versiering. Tekst: mt • IN • DEO • SPES • NOSTRA • (of variant), wat betekent: onze hoop in de Heer.
Wapen van Gelderland
Muntteken: Gelders kruis
Muntmeester: Johan Alewijn 1606 – 1635
Variant met groot wapenschild binnen veelbogige versiering.
De berekening van de slagaantallen is volgens de uiterste remedie (120 uit een mark). Het jaartal 1625 uit deze serie wordt afgebeeld door Verkade en wordt vermeld in de verzameling van het museum van oudheden te Nijmegen. Aan het bestaan van dit jaartal moet echter sterk worden getwijfeld. Hier is hoogst waarschijnlijk een zeer gesleten exemplaar verkeerd gelezen. De ordonnantie voor deze duiten is afgegeven in 1626 en ook worden zij pas in de muntbus vermeld vanaf 1626. Het jaartal 1625 heb ik daarom niet opgenomen. In een interessante reactie op mijn artikel over deze serie duiten in De Beeldenaar van maart/april 2009 weet Willem van den Nieuwenhof in dezelfde Beeldenaar op blz. 84/85 enkele aanvullingen te geven. Het jaartal 1628 bestaat met een 8 die lijkt op een letter S. Mogelijk heeft Verkade dit cijfer geïnterpreteerd als een 5 en daarom dit jaartal opgenomen. Tevens weet van den Nieuwenhof een nieuwe tekstvariant te melden waarbij de tekst niet begint met een (Gelders) kruis maar slechts met een wat grotere punt. Verder merkt hij op dat er duiten bestaan waar men in het stempel een punt heeft geslagen over het laatste cijfer in het jaartal. De duit 163· die hier op de site afgebeeld staat schrijft hij ook aan een dergelijke actie toe en meent onder de punt het cijfer 5 te zien, ik zie dit echter niet bij dit exemplaar.
In juni 1640 kreeg men te Harderwijk het verzoek om 30 à 40 duiten beschikbaar te stellen voor onderzoek vanwege mogelijke knoeierijen met duiten door muntmeester Johan Weijntges. Uit zijn 1e muntbus opening bleken zijn duiten al “enigszins schraal” te zijn. Er zijn volgens de muntbus nooit duiten geslagen in 1640 maar is dit jaartal wel opgenomen in sommige catalogi. Hoogst waarschijnlijk werden in dit verzoek de duiten van 1635 en 1636 bedoeld. Waarschijnlijk net als bij de bezemstuivers kwamen de klachten nogal laat. Duiten van 1640 ben ik nimmer tegen gekomen en ook de bekende musea met grote verzamelingen bezitten hiervan geen exemplaar. Het jaartal 1640 heb ik op die grond laten vervallen. Welke duiten met het jaartal 1635 door Alewijn en welke door Weijntges zijn geslagen is niet te achterhalen. De duiten van 1635 heb ik daarom allen bij muntmeester Alewijn ingedeeld. Het jaartal 1635 bestaat met een kleine 5 in het jaartal en met een normale 5 in het jaartal. Mogelijk kan de grote of kleine 5 in het jaartal een teken van onderscheiding zijn tussen de twee muntmeesters in dat jaar. Ook valt op dat de tekst op de wapenzijde van het mij bekende exemplaar met een normale 5 in het jaar begint met een open rondje. In de juni-lijst 1999 van munthandel Henzen staat onder nummer 989 een duit 1628 vermeld. Volgens de beschrijving had dit exemplaar alle letters S in spiegelbeeld. Helaas kan dit nog niet bevestigd worden en de volledige tekstvariant (nog) niet worden beschreven. De afwijkende tekst CONCORDIA RES PAR CRES GEL op exemplaren van 1633 wordt wel in verband gebracht met de herovering van Roermond (zie bij PW 1008). Aangezien Roermond in 1632 werd heroverd en er ook een exemplaar van 1636 met deze tekst blijkt te bestaan komt deze aanname op losse schroeven te staan. Het jaartal 1631 werd reeds genoemd door Purmer en van der Wiel. Van dit jaar was ik nooit overtuigende exemplaren tegen gekomen. Er bestaan wel aardig wat duiten waarop het lijkt of het hier een exemplaar van 1631 betreft maar deze hebben allen een vreemd laatste cijfer in het jaartal welke meer op een mislukte 4 lijkt dan een echt cijfer 1, zie hier een voorbeeld. Uit een oude verzameling is nu toch een overtuigend exemplaar te voorschijn gekomen en kan het jaar 1631 definitief worden opgenomen. Ook bleek Teylers museum te Haarlem een exemplaar in de collectie te hebben. Een interessante variant is een duit uit deze serie met een ontbrekend laatste cijfer in het jaartal. De munt heeft alleen de cijfers 163 met een punt daar achter.
Voorschrift: ordonnantie van de Staten van Gelderland van 1626. Uit de snede zoals “op den voet van Hollant en West Frieslant” 116 stuks is ca. 2,12 gram per stuk. Remedie van 4 stuks in het mark. De sleischat was in zijn geheel voor de muntmeester.
Voorzijde: Binnen een parelcirkel een kroon met daaronder de gekroonde zuilen van Hercules boven golven. “PLV – SVL – TRA” gesplitst door de zuilen omgeven door muntplaats- en muntmeestertekens en de waarde “I” en “IIII” van Philips IV. Tekst: POTOSI ANO 1652 EL PERV of variante (EL PERV: Betekent “van Peru”, aangezien het grondgebied van de Koninklijke Audiencia van Charcas en de mijnen van Potosí tijdens de koloniale en historische periode van het Spaanse Rijk deel uitmaakten van het onderkoninkrijk Peru.)
Keerzijde: Een gekroond vierkantig wapenschild gevormd door een krukkenkruis met in de hoeken een dubbele boog. In de kwartieren 1 en 4 een kasteeltje van Castilië en in 2 en 3 een leeuwtje van Leon. Onderaan het jaartal (16)52, (bovenaan een granaatappel, links een P en rechts een E). Tekst binnen een dubbele parelcirkel bovenaan onderbroken: PHILIPPVS IIII D G HISPANIARVM REX
Datum: 1652
Muntmeesterteken: E van Antonio De Ergueta, 1651-1679, Potosi
Voorzijde: In twee regels met daaronder het jaartal GRON / ET OML wat betekent: Groningen en Ommelanden.
Keerzijde: Gekroond wapenschild van de Groninger Ommelanden, aan weerszijden heeft het wapen versieringen.
Het wapen (3) zoals we dat aantreffen op de munten uit de provinciale muntperiode te Groningen en Harderwijk, is samengesteld uit de wapens van de Ommelanden en de stad Groningen. Het wapen van Groningen is de Duitse rijksadelaar met op zijn borst het stadswapentje van Groningen.
Wapen van Groningen en Ommelanden
Datum: 1675
Muntmeester: Caspar Boom ( 1673 – 1677 )
Muntmeesterteken: bloem ( niet op de duiten gebruikt )
Slagplaats: Groningen
Mr. H.O. Feith sprak ook reeds over verschillen in het wapen op de duiten van de jaren 1673 en 1674. Dit heeft betrekking op de kroon boven het wapenschild en de versiering aan de weerszijden van het wapenschild. Ook kan het zijn dat hij reeds een verwisseling van de kwartieren in het wapenschild heeft gesignaleerd. Het jaartal 1674 bestaat namelijk met gespiegelde wapens in het wapenschild van de Ommelanden. Deze afwijking komt ook voor op florijnen van de ommelanden (afgebeeld VCLS 24 nr.858). De duiten van 1674 met het verkeerde wapen komen voor met de tekst GRON EN OML en met GRON ET OML. Mr. H.O. Feith noemde reeds een duit van 1677 geslagen van koper, dit vooralsnog unieke jaartal is nu opgedoken in de vorm van een vondstexemplaar. Van de duiten kwamen er ca. 118 uit een mark wat een gewicht opleverde van ongeveer 2,08 gram per stuk.