Gevonden door Dieter Van Damme

Materiaal: koperlegering
Afmetingen: 30 mm / 63 mm
Gewicht: 12 gr
Kruisje met een boomstructuur, deze vind je soms ook op begraafplaatsen ( levensboom )
Gedetermineerd door Grot Marmot
©Metaaldetectie Vlaanderen vzw – Metal Detecting Flanders -Détection de métaux en Flandres
Database van Metaaldetectie Vlaanderen vzw. Elk stukje metaal heeft een verhaal.
Gevonden door Martine Delplace

Materiaal: koperlegering
Hoogte: 26 mm
Gewicht: 2,3 gr
Gedetermineerd door Martine Delplace
Gevonden door Andre van Erkom
Materiaal: zilver
Diameter: 15,5 mm
Gewicht: ?
Voorzijde: Hoofd naar rechts. Tekst: IVLIA AVGVSTA
Keerzijde: Diana met een lange fakkel in beide handen, staande naar links. Tekst: DIANA LVCIFERA
Slagplaats: Rome
Lit: RIC 548, RSC 27.
Gedetermineerd door Andre van Erkom
Julia Domna werd geboren ca. 160 in de Romeinse provincie Syrië als dochter van Julius Bassianus, hogepriester van de El Gebal zonnegodcultus van Emesa. Was Romeins keizerin van 193 tot aan haar dood in 217. Als jonge vrouw reisde zij naar het westen en trouwde in 187 met de Noord-Afrikaanse Lucius Septimius Severus die later keizer van Rome zou worden. In 188 en 189 kregen zij twee zonen, Caracalla en Geta. Toen Septimius Severus in 193 door de senaat tot keizer werd uitgeroepen, kreeg zij de titel Augusta (keizerin). Zij reisde met haar man mee op zijn veldtochten en kreeg daarom in 195 de titel Mater Castrorum (moeder van de forten of legerkampen). Na de dood van Septimius Severus in 211, kende de senaat haar de tot dan toe ongekende en grandiose titels Mater Senatus en Mater Patriae toe (Moeder van de Senaat en Moeder des Vaderlands). Toen haar zoons beiden keizer waren geworden, was hun walging voor elkaar zo groot geworden dat ze besloten het rijk te verdelen in een oostelijk, met Geta als keizer, en westelijk deel, met Caracalla als keizer. Julia Domna kwam echter tussenbeide en verhinderde de splitsing (“Jullie kunnen misschien het rijk wel tussen jullie verdelen, maar niet jullie moeder!”). In december 211 werd zij door Caracalla verraden nadat zij op zijn voorstel een ontmoeting tussen haar twee zoons had geregeld – zogenaamd om de geschillen bij te leggen. Maar na Geta’s aankomst werd hij voor haar ogen, waarschijnlijk zelfs in haar armen, door Caracalla’s soldaten vermoord. Toen uiteindelijk ook haar oudste zoon werd vermoord (zij verbleef toen in Syrië), was zij wanhopig en overwoog zelfmoord, maar zag hiervan af toen Macrinus haar te kennen gaf dat zij haar titels kon behouden. Zij begon echter een campagne tegen Macrinus, die haar daarop naar Rome verbande. Daar aangekomen met de as van haar zoon, pleegde zij uiteindelijk alsnog zelfmoord door in hongerstaking te gaan.
Gevonden door Mario Raeymaekers
Materiaal: lood / tin
Afmetingen: 20 mm / 40 mm
Gewicht: 5,40 gr
Gedetermineerd door Mario Raeymaekers
Gevonden door Crabeels Daan

Materiaal: koperlegering
Diameter: 25,3 mm
Gewicht: 2 gr
Voorzijde: Klimmende leeuw naar links. Tekst: GARDE CIVIQUE … ?
Keerzijde: ?
De Garde civique werd opgericht in 1830. Er werden spontaan door de burgerij milities opgericht in een aantal steden, met de bedoeling de orde te handhaven, ongeregeldheden en plunderingen te verhinderen en ook voor sommigen onder hen, mee op te trekken tegen Nederland. In oktober 1830 besliste het Voorlopig Bewind de spontaan gestichte milities te erkennen en samen te voegen onder militaire leiding, om er een supplementair embryo van een Belgisch leger van te maken. De Burgerwacht was georganiseerd op gemeentelijk niveau, oorspronkelijk in de gemeenten met meer dan 30.000 inwoners. Zij was samengesteld uit burgers tussen 21 en 50 jaar, vooral jonge vrijgezellen en kinderloze weduwnaars, die geen deel uitmaakten van het leger. Afwijkingen en vrijstellingen konden worden toegestaan bij ziekten, misvormingen, verminkingen en de noodzaak om voor een gezin te zorgen. De missie van de militie luidde als volgt: de gehoorzaamheid aan de wetten behouden, de openbare orde en rust handhaven of herstellen, het waarborgen van de onafhankelijkheid van België en de integriteit van zijn grondgebied. De burgerwacht bestond uit compagnieën met aan het hoofd een kapitein en verdeeld in drie bans. De eerste ban speelde een rol op nationaal niveau en was vooral bedoeld om de onschendbaarheid van het territorium te doen eerbiedigen. De tweede ban stond het leger bij, “zonder evenwel de provincie te verlaten”. De derde ban bleef steeds ter plaats en zou niet te velde gaan. De standaarddienst bestond in het wacht optrekken en patrouilles uitvoeren voor de beveiliging van personen, het behoud van eigendommen en het handhaven van de openbare orde. Bij de aanvang van de vijandelijkheden in 1914 had de Burgerwacht zijn beste tijd gehad en betekende niet veel meer. Toch werden de ongeveer 45.000 leden die er op papier nog deel van uitmaakten, onder de wapens geroepen. Het was de bedoeling dat ze voor de handhaving van de orde zouden zorgen. De Duitsers beschouwden die troepen echter niet als militairen, maar als vrijschutters, die zonder meer konden worden doodgeschoten. In de meeste steden verdwenen de burgerwachten dan ook geruisloos. Enkele korpsen uit Luik, Brussel en Oost-Vlaanderen volgden het leger naar de IJzer en namen deel aan sommige militaire operaties. Op 13 oktober 1914 werden ze definitief naar huis gestuurd. Op 17 juni 1920 plaatste een Koninklijk Besluit alle eenheden van de Burgerwacht op non-actief.
Gedetermineerd door Eric Aerts
Gevonden door Martijn Aarts
Materiaal: koperlegering
Diameter: 19 mm
Gewicht: 2,7 gr
Voorzijde: Buste van de vorst met diadeem naar rechts. Tekst: GEORG. A. D. G. M. B . F. REX
Keerzijde: Facade van een gebouw met links en rechts RE en PF. Tekst: ECCLES . ANGL en in de afsnede de initialen (I I D)
Opmerking: Variant op stuk van Dietzel met grotere diameter (25 mm)

Lit: M. Mitchiner Volume I, blz. 526, no. 1878 (foto), variant.
Gedetermineerd door Jan Ooms
Gevonden door Tom Devos
Materiaal: koperlegering
Afmetingen: 27 mm / 40 mm
Gewicht: 5,2 gr
De Rising Sun-badge, ook bekend als de General Service Badge of de Australian Army Badge, is het officiële insigne van het Australische leger en wordt meestal gedragen op de rand van een slappe hoed of, minder vaak, op de voorkant van een puntige pet voor legerpersoneel dat bepaalde ceremoniële benoemingen vervult. Het insigne wordt gemakkelijk geïdentificeerd met de geest van ANZAC, de legende van de Australische soldaat (of “graafmachine”) en de esprit de corps van het leger zelf, vanwege de associatie met de landingen bij Gallipoli in 1915. Tegenwoordig ontvangen nieuwe rekruten de badge bij hun eerste uitgifte van uitrusting, wat gebeurt binnen hun eerste drie dagen na indiensttreding.
Gedetermineerd op facebook
Gevonden door Martine Delplace
Materiaal: messing
Diameter: 20 mm
Gewicht: 2,2 gr
Voorzijde: In het veld de afbeelding van een kikker met de gespitste waard 2 / 0 C
Keerzijde: In het veld de afbelding van een kikker, links verticaal de waarde 20 C en rechts verticaal A CONSR
Gedetermineerd door Dirk Desmet