Voorzijde: Sint Benedictus, in de rechterhand een kruis, in de linkerhand de Regel. Links een raaf die vergiftigd brood wegneemt en rechts een mijter. Tekst CRUX S . P . BENEDICTI
Keerzijde: Benedictuskruis. In de vier hoeken van het kruis: C.S.P.B.: Crux Sancti Patris Benedicti wat betekent: Kruis van de heilige vader Benedictus. Boven het kruis: IHC. Op het kruis, verticaal C.S.S.M.L.: Crux Sacra Sit Mihi Lux wat betekent: Dat het heilig kruis mijn licht zij. Op het kruis, horizontaal N.D.S.M.D.: Non Draco Sit Mihi Dux wat betekent: Dat de draak mij niet tot gids zij. Letters langs de rand: V.R.S.: Vade Retro Satana: Ga weg, Satan. N.S.M.V.: Numquam Suade Mihi Vana: Verleid mij nooit tot ijdel gedrag. S.M.Q.L.: Sunt Mala Quae Libas: Wat je wil is vergif. I.V.B.: Ipse Venena Bibas: Drink zelf je gif. Bovenaan: IHS wat betekend: In Hoc Signo – of Iesus Hominum Salvator – Jezus Redder der Mensen.
De Benedictus medailles, ook wel in het Frans “Medaille de Sorcier” (tovenaarsmedaille) genoemd wordt. En het is dit laatste wat een betekenis geeft aan deze medaille, zijnde het afweren van al het kwaad (o.a. beker met gif zoals op zijn medaille vermeld ) Zo wordt Benedictus aangeroepen tegen beheksing, gezicht- en gordelroos, koorts, nierstenen, vergiftiging. Hij is o.a. patroon van kinderen, leraars, speleologen, mijnwerkers, monniken, stervenden enz…
En vroeger was het de gewoonte om bepaalde voorwerpen onder de dorpel van de inkomdeur, ergens in de stal, tussen stenen van de tuinmuur (Frankrijk toch) te verbergen om geluk, voorspoed, bescherming op te roepen voor bewoners / woning.
Voorzijde: Centraal S.S ( Staatsspoorwegen ). Tekst: ✿ MAATSCH. TOT EXPL. VAN STAATSSP
Keerzijde: Centraal ROODESCHOOL. Tekst: ✿ MAATSCH. TOT EXPL. VAN STAATSSP
Station Roodeschool: Dit was het meest noordelijk gelegen station van Nederland en tevens voor reizigerstreinen het eindpunt van de op 16 augustus 1893 geopende spoorlijn Groningen-Hoofdstation – Sauwerd – Roodeschool. Deze werd vanaf Sauwerd aangelegd door de Groninger Locaalspoorweg-Maatschappij en geëxploiteerd door de Staatspoorwegen, die de exploitatie op 1 januari 1938 overdroegen aan de Nederlandse Spoorwegen.
Voorzijde: O.L.V. met kind Jezus op de schoot. Beiden hebben een scapulier in de hand. Het geheel verwijst naar de berg Carmel in Israël en naar de heilige Simon Stock, naar aanleiding van een verschijning in 1251.
Keerzijde: Jezus die naar zijn hart wijst. Symboliseert de devotie tot het (Aller) Heilig Hart van Jezus.
Gesigneerd door de graveur Firmin-Pierre “Lasserre”.
Firmin-Pierre Lasserre is een Franse beeldhouwer en medailleur, geboren in Barraute in de Pyrénées-Atlantiques op 6 juli 1870 en overleden in 1943.
Dit is een Willem – knoop gedragen onder koning Willem III. Ook werden dit soort knopen nog gebruikt onder Wilhelmina. En zelfs de Ned. posterijen, tot omstreeks 1909 hebben dit soort knopen gedragen.
Voorzijde: Klimmende leeuw naar links. Tekst: GARDE CIVIQUE
De Garde civique werd opgericht in 1830. Er werden spontaan door de burgerij milities opgericht in een aantal steden, met de bedoeling de orde te handhaven, ongeregeldheden en plunderingen te verhinderen en ook voor sommigen onder hen, mee op te trekken tegen Nederland. In oktober 1830 besliste het Voorlopig Bewind de spontaan gestichte milities te erkennen en samen te voegen onder militaire leiding, om er een supplementair embryo van een Belgisch leger van te maken. De Burgerwacht was georganiseerd op gemeentelijk niveau, oorspronkelijk in de gemeenten met meer dan 30.000 inwoners. Zij was samengesteld uit burgers tussen 21 en 50 jaar, vooral jonge vrijgezellen en kinderloze weduwnaars, die geen deel uitmaakten van het leger. Afwijkingen en vrijstellingen konden worden toegestaan bij ziekten, misvormingen, verminkingen en de noodzaak om voor een gezin te zorgen. De missie van de militie luidde als volgt: de gehoorzaamheid aan de wetten behouden, de openbare orde en rust handhaven of herstellen, het waarborgen van de onafhankelijkheid van België en de integriteit van zijn grondgebied. De burgerwacht bestond uit compagnieën met aan het hoofd een kapitein en verdeeld in drie bans. De eerste ban speelde een rol op nationaal niveau en was vooral bedoeld om de onschendbaarheid van het territorium te doen eerbiedigen. De tweede ban stond het leger bij, “zonder evenwel de provincie te verlaten”. De derde ban bleef steeds ter plaats en zou niet te velde gaan. De standaarddienst bestond in het wacht optrekken en patrouilles uitvoeren voor de beveiliging van personen, het behoud van eigendommen en het handhaven van de openbare orde. Bij de aanvang van de vijandelijkheden in 1914 had de Burgerwacht zijn beste tijd gehad en betekende niet veel meer. Toch werden de ongeveer 45.000 leden die er op papier nog deel van uitmaakten, onder de wapens geroepen. Het was de bedoeling dat ze voor de handhaving van de orde zouden zorgen. De Duitsers beschouwden die troepen echter niet als militairen, maar als vrijschutters, die zonder meer konden worden doodgeschoten. In de meeste steden verdwenen de burgerwachten dan ook geruisloos. Enkele korpsen uit Luik, Brussel en Oost-Vlaanderen volgden het leger naar de IJzer en namen deel aan sommige militaire operaties. Op 13 oktober 1914 werden ze definitief naar huis gestuurd. Op 17 juni 1920 plaatste een Koninklijk Besluit alle eenheden van de Burgerwacht op non-actief.