De beugel is uitgewerkt tot twee dieren met opengesperde muil naar elkaar toe gekeerd. In een opengewerkt kader met roostermotief centraal twee gestilleerde opengewerkte dieren. De gespplaat heeft nog twee klinknagels met uitgesproken ronde koppen. De angel is deels bewaard.
Voorzijde: In een parelcirkel een gehelmd hoofd naar links, helm met drie ringen versierd, een kuif met drie veren als helmkam, achter het hoofd vier parels in ruitvorm geplaatst.
Keerzijde: In een parelcirkel een lang dubbel geankerd kruis met in het midden een bolletje.
Limoges, vooral bekend om zijn geëmailleerde werken, produceerde gespen en gespenplaten vanaf het midden van de 12e eeuw. Deze productie bleef doorgaan tot in de 14e eeuw, hoewel het hoogtepunt van de productie en populariteit van deze geëmailleerde gespen en platen rond de 12e en 13e eeuw lag. Maar ! Niet alle gespen van het zogenaamde “type Limoges” of vergelijkbare stijlen zijn met zekerheid in Limoges geproduceerd. Het type Limoges verwijst vaak naar een stijl of techniek die kenmerkend was voor de regio, vooral de emailtechniek, maar soortgelijke technieken en ontwerpen werden ook elders nagebootst. Hierdoor kunnen gespen van dit type uit andere regio’s afkomstig zijn, terwijl ze wel dezelfde kenmerken vertonen als de producten uit Limoges. Eén ervan is de Maasstreek, een regio waar de stijl en technieken van Limoges werden nagebootst. Ambachtslieden in de Maasstreek ontwikkelden hun eigen varianten van geëmailleerde.
Muntheer: Floris IV, 1222-1234/Willem II, 1234-1256 graven van Holland.
Materiaal: zilver
Diameter: 10 mm ( klein van diameter maar massa wijst naar penning )
Gewicht: 0,49 gr
Voorzijde: Hoofd van de graaf met gravenmuts naar rechts. Tekst in een dubbele parelcirkel: x FLORENS
Keerzijde: Kort dubbel kruis met bolletjes aan de uiteinden. Tekst in een dubbele parelcirkel: x HOLLANT
Datum: z.j. ca. 1222 – 1252.
Slagplaats: Vermoedelijk Dordrecht
Opmerking: Willem II graaf van Holland sloeg zelfde penningen als zijn vader, omschrift incluis, het is moeilijk beiden te onderscheiden al neemt men aan dat de stempels van Willem II slordiger gesneden zijn of gebruik gemaakt werd van versleten stempels van zijn vader… Dit stuk is dus vermoedelijk van Floris IV.
De Zwaardschede-beschermer: Fries-Gronings Vakmanschap. Een zwaard was in de middeleeuwen een kostbaar bezit dat uiterste zorg vereiste. Om zowel de drager te beschermen tegen het scherpe metaal als het wapen zelf te behoeden voor vocht en schade, werd gebruikgemaakt van een vernuftig samengestelde schede. De zwaardschedepuntbeschermer (ook wel zwaardkapje genoemd) vormde hiervan het cruciale sluitstuk.
Een Uniek Regionaal Product. Hoewel zwaarden overal werden gedragen, is dit specifieke type ‘opengewerkte’ beschermer een typerend regionaal product. De meeste exemplaren zijn teruggevonden in de noordelijke provincies Friesland en Groningen. Archeologisch onderzoek, waaronder belangrijke vondsten aan de Eewal en Zuupsteeg in Leeuwarden, bevestigt dat deze kapjes hun hoogtijdagen kenden tijdens de Volle Middeleeuwen (ca. 1050 – 1250 na Chr.). Dat deze objecten veelvuldig zijn opgenomen in het PAN-register (Portable Antiquities Netherlands) onderstreept hun historische waarde voor de noordelijke regio.
Vorm en Functie. De opbouw van een schede was in de basis door de eeuwen heen consistent: De kern: Dunne houten spaantjes die het lemmet omsloten. De bekleding: Een afwerking van textiel of leer voor duurzaamheid.
Het beslag: Een ‘mondblik’ aan de bovenzijde voor de insteek en een stevig metalen kapje aan de onderzijde.
Het kapje op de afbeelding is niet alleen functioneel – het voorkwam dat de scherpe punt door het leer of hout heen prikte – maar diende ook als versiering. De specifieke vorm en de decoratieve uitsparingen (het opengewerkte karakter) zijn kenmerkend voor de stijl uit deze periode. Ze bieden archeologen een betrouwbare indicatie voor de datering van de context waarin ze gevonden worden.
Veiligheid door de eeuwen heen. De geschiedenis van de schedebeschermer is zo oud als het gebruik van metalen wapens zelf. Zodra de mensheid messen, dolken en zwaarden ging smeden, ontstond de behoefte om deze veilig te kunnen dragen. Deze Noord-Nederlandse vondsten herinneren ons aan een tijd waarin esthetiek en veiligheid hand in hand gingen in de uitrusting van de middeleeuwse mens.
Voorzijde: In een parelcirkel een ruiter galopperend naar rechts met geheven zwaard in de rechter hand en een schild in de linkerhand. Tekst: DVX; onder de buik tussen achter en voorbenen van het paard een vierblad of vier stippen in ruitvorm en DV. Tussen de voorbenen en de kop een X en voor het hoofd van de ruiter al dan niet een parel.
Keerzijde: In een dubbele parelcirkel een “Brabants kruis” waarvan elke arm bestaat uit twee vanuit het middelpunt vertrekkende ( ring in het midden? ), in de breedte uitlopende, volle lijnen, bovenaan afgesloten door een derde naar binnen gebogen volle lijn met in het midden een bolletje. Van daaruit vertrekt een volle lijn? ( var bolletjeslijn ) naar het middelpunt van het kruis, in de kwartieren telkens een ring met parel met eronder een vierblad ( of vier stippen in ruitvorm geplaatst ).