Voorzijde vermoedelijk: Een kort gevoet kruis binnen een parelcirkel met in elk kwartier een parel. Tekst: …] ‾┘OMh […?
Keerzijde:Binnen een parelcirkel hetColoniamonogram in drie regels omgeven door een omschrift. Tekst: Ꙅ / COLOИIA / A; imitatie van het Colonia monogram voor SEA COLONIA AGRIPPINATekst: …] ‾И•B X – Ꙅ Iꓞ[…?
Datum:z.j. na 962 tot eerste helft 11e eeuw
Slagplaats:Neder Lotharingen, mogelijk in de Maaslandse regio
Opmerking: Navolging van de denieren geslagen onder Keizer Otto I en zijn broer Bruno aartsbisschop van Keulen en hertog van Lotharingen, 962-965
Afbeelding van een door Wessel Spoelder geschreven artikel in de Detector amateur nummer 161 en 162
In de context van middeleeuws paardentuig is een teugelspanner (ook wel bekend als teugelverdeler of riemverdeler) een essentieel metalen onderdeel dat de verbinding tussen verschillende riemen van het hoofdstel regelt. Op basis van zie afbeelding en historische bronnen zijn dit de belangrijkste kenmerken:
Functie: Het zorgt voor de bevestiging en een stabiele overgang tussen de bitring en de teugel. Het helpt de druk op het bit gelijkmatig te verdelen en voorkomt dat riemen in de war raken of verschuiven tijdens het rijden.
Materiaal en Vorm: Deze objecten werden meestal gegoten uit een koperlegering of brons. Ze variëren in vorm van eenvoudige ringen tot rijk versierde, kruisvormige of opengewerkte beslagstukken, vaak met zoomorfe (dierlijke) of geometrische motieven.
Datering: De exemplaren op de afbeelding, zoals de Ottoonse varianten, dateren vaak uit de periode tussen 950 en 1200 na Christus.
De Zwaardschede-beschermer: Fries-Gronings Vakmanschap. Een zwaard was in de middeleeuwen een kostbaar bezit dat uiterste zorg vereiste. Om zowel de drager te beschermen tegen het scherpe metaal als het wapen zelf te behoeden voor vocht en schade, werd gebruikgemaakt van een vernuftig samengestelde schede. De zwaardschedepuntbeschermer (ook wel zwaardkapje genoemd) vormde hiervan het cruciale sluitstuk.
Een Uniek Regionaal Product. Hoewel zwaarden overal werden gedragen, is dit specifieke type ‘opengewerkte’ beschermer een typerend regionaal product. De meeste exemplaren zijn teruggevonden in de noordelijke provincies Friesland en Groningen. Archeologisch onderzoek, waaronder belangrijke vondsten aan de Eewal en Zuupsteeg in Leeuwarden, bevestigt dat deze kapjes hun hoogtijdagen kenden tijdens de Volle Middeleeuwen (ca. 1050 – 1250 na Chr.). Dat deze objecten veelvuldig zijn opgenomen in het PAN-register (Portable Antiquities Netherlands) onderstreept hun historische waarde voor de noordelijke regio.
Vorm en Functie. De opbouw van een schede was in de basis door de eeuwen heen consistent: De kern: Dunne houten spaantjes die het lemmet omsloten. De bekleding: Een afwerking van textiel of leer voor duurzaamheid.
Het beslag: Een ‘mondblik’ aan de bovenzijde voor de insteek en een stevig metalen kapje aan de onderzijde.
Het kapje op de afbeelding is niet alleen functioneel – het voorkwam dat de scherpe punt door het leer of hout heen prikte – maar diende ook als versiering. De specifieke vorm en de decoratieve uitsparingen (het opengewerkte karakter) zijn kenmerkend voor de stijl uit deze periode. Ze bieden archeologen een betrouwbare indicatie voor de datering van de context waarin ze gevonden worden.
Veiligheid door de eeuwen heen. De geschiedenis van de schedebeschermer is zo oud als het gebruik van metalen wapens zelf. Zodra de mensheid messen, dolken en zwaarden ging smeden, ontstond de behoefte om deze veilig te kunnen dragen. Deze Noord-Nederlandse vondsten herinneren ons aan een tijd waarin esthetiek en veiligheid hand in hand gingen in de uitrusting van de middeleeuwse mens.
Brons gegoten rechthoekige fibula met een verhoogt kruismotief, waarbij in de 5 verhoogde delen een verdieping is aangebracht waar een email smeltsel is ingegoten. Tot heden ken ik nu drie exemplaren van dit type en kennen de kleuren zwart en rode email. Dit type fibula kent enkele varianten en is te matchen met enkele ronde en kruisvormige exemplaren, zie afbeelding. Datering van deze schijf fibula is hoge middeleeuwen 950-1200 n.Chr.
Muntheer: Kroon-Vlaanderen, vermoedelijk Boudewijn IV met de Baard, graaf van Vlaanderen, 989 – 1036 of Boudewijn V van Rijsel, graaf van Vlaanderen, 1036-1067
Materiaal: zilver
Diameter: 12 mm
Gewicht: 0,4 gr
Voorzijde: Een vereenvoudigd Karolusmonogram met in het midden van de O een parel, de S is verdwenen en de R en L zijn in een arm, die verdikt naar het einde toe, vervangen. Tekst in een dubbele parelcirkel: Niet leesbaar en varianten
Keerzijde: In het veld een kort gevoet kruis met in de kwartieren twee “wiggen” tegen over elkaar met ertussen een parel dan weer een ring. Tekst in een dubbele parelcirkel: Niet leesbaar en varianten
Datum: z.j. ca. 1000-1050
Slagplaats: ?
Litrefcfr: P Ilisch, KNGMP, jaarboek 100 special, 2014, 1.3 en varianten; J Duplessy 1983 (Quelquesmonnaiesenigmatiques des pays-bas (XIe-XVIesiecle)) pag 445 en 446; Bahrfeldt 1896, 233; A HaeckVl 23