Gevonden door Brynckminator Brynckminator
Materiaal: koper
Diameter: ?
Gewicht: ?
Voorzijde: Een tulpkrans met daarin de tekst in drie regels ZEE LAN DIA
Keerzijde: De Hollandse maagd zittende in een tuin gemaakt van vlechtwerk met palen. Zij wijst nog wel met haar rechterhand naar de hemel als teken van vertrouwen op de heer maar er is geen zonnetje meer. Als hek van de tuin dient een wapenschildje van Zeeland. Tekst: LVCTOR. ET. EMERGO. ( of variant ) 1648 wat betekent: ik worstel en kom boven.
Muntmeester: Pieter van de Voorde ( 1634 – 1658 )
Muntteken: ♜
Slagplaats: Middelburg
Wettelijk voorschrift: goedkeuring van 14 september 1641 door de Staten van Zeeland, waarschijnlijk op de voet van 116 stuks uit een mark. Toestemming van de Staten van 25 oktober 1647. Toestemming van de staten van 21 maart 1653. Toestemming van de Staten van Zeeland van 22 oktober 1663.
Op 9 augustus 1641 dienden de munters een verzoek in of de muntmeester niet 8 à 10.000 ponden Vlaams aan kopergeld mocht slaan om hen nog enigszins aan het werk te houden. De muntmeester werd om advies gevraagd waarna op 14 september 1641 alle leden van de Staten akkoord waren. Hoeveel er is geslagen en op welke voet is niet beschreven maar hoogst waarschijnlijk was dit 116 duiten en 58 oorden uit een mark koper. Aangezien de toestemming laat in 1641 werd gegeven is ook nog in 1642 met de opdracht voort gegaan en er bestaan ook exemplaren van 1643. Het jaar 1641 is daarom zeldzaam, komt het jaar 1642 meer voor en is 1643 weer zeldzaam. De toestemming lijkt dus te zijn uitgesmeerd over eind 1641, het hele jaar 1642 en het begin van 1643. In 1644 zijn alleen oorden geslagen voor de Oost Indische Compagnie. Op 25 februari 1645 kwam een verzoek van de solliciteurs van de compagnie om de muntmeester goedkeuring te geven om een hoeveelheid kopergeld te slaan. Op 10 maart 1645 beloofde men dit te onderzoeken maar heeft het waarschijnlijk geen vervolg gekregen. Duiten en/of oorden met dit jaartal zijn nog niet terug gevonden. Vanwege de opgetreden schaarste aan koperen munt kreeg muntmeester van der Voorde op 25 oktober 1647 toestemming om voor 700 ponden Vlaams aan alleen duiten te slaan. Aangezien de toestemming laat in het jaar werd gegeven bestaan er duiten van zowel 1647 als 1648. In november 1648 riepen de generaals van de munten alle munthuizen op om de stempels in te trekken van de koperen en zilveren payementen. Alleen te Zeeland en Friesland werd toen kopergeld geslagen wat na die datum inderdaad stopte. Het is dan ook niet zeker of duiten van 1649 zoals geclaimd door Purmer en van der Wiel wel bestaan. Op 21 maart 1653 werd weer toestemming gegeven om kopergeld aan te munten namelijk voor 4000 gulden totaal, de helft in oorden en de andere helft in duiten. Op 13 december 1656 vroeg muntmeester van der Voorde weer toestemming om kopergeld aan te munten. Dit moet hem zijn verleend want duiten van 1657 worden genoemd in zijn 5e muntbus. Er moesten nog steeds 116 duiten uit de snede komen (116 stuks uit een mark van 246,084 gram) wat neerkomt op een gewicht van 2,121 gram per stuk. Het aantal geslagen stukken is door Mr. L.W.A. Besier berekend op 223015 stuks. In 1663 vond de stad Middelburg het nodig dat er wederom een partij kopergeld geslagen moest worden. De stad Zierikzee vond dit niet nodig omdat daar voldoende kopergeld in omloop was. Er is in oktober 1663 toch overeenstemming bereikt om voor 300 ponden Vlaams duiten te slaan, ook zijn oorden bekend met dit jaartal. Omdat de toestemming laat in het jaar kwam bestaan er duiten van 1663 en 1664. Het door Purmer en van der Wiel geclaimde jaar 1665 heb ik nog niet kunnen vinden. De duiten van deze vroege series komen zelden in mooie kwaliteit voor. Veel jaren zijn ook over het algemeen schaars tot zeldzaam en slechts mondjesmaat komen afbeeldingen beschikbaar van nog niet terug gevonden jaartallen. Er kunnen ook volledige misslagen voor komen zoals dit exemplaar. Duiten uit deze serie kunnen voorkomen met de U in luctor geschreven als V of als U.
ZEE.9
Gedetermineerd door Eric Aerts