Voorzijde: Nederlandse soldaten schieten op Spaanse galeien in de haven; op de achtergrond de stad Sluis; in een wolk het Hebreeuwse woord Jehova (Heere) Tekst: TRAXIT DVXIT DEDIT 16-04 (de Heer heeft getrokken, geleid en gegeven)
Keerzijde: Rond het gekroonde wapen van Zeeland: CALC CAM RAT OR ZEL In de buitenrand: BEATVS POPVLVS CVIVS ADIVTOR DEVS (burchtje) (Gelukzalig is het volk wiens helper God is)
Voorzijde: Zittende (Hollandse) maagd in een tuin met bloemen, zij wijst met haar rechterarm naar boven als teken van het vertrouwen op de heer, aan haar voeten het wapenschild van Arnhem. (Zonder binnencirkel). Tekst: SICVT. LILIVM. INTER. SPINA-S; als een lelie tussen de doornen.
Keerzijde: Een gekroond wapenschild met klauwende leeuw naar links, het wapen heeft aan de zij- en onderkant een versiering. (Zonder binnencirkel). Tekst: .MONE. T. ARNHEM. IN. GELRIA; moneta templi Arnhemensis in Gelriae of kerkelijk geld van Arnhem in Gelderland.
Datum:z.j. ca. 1596-1598
Muntmeester: Hieronymus Henrickssen 1594 – 1599
Muntmeesterteken: geen op deze munt
Slagplaats: Arnhem
Voorschrift: raadsbesluit van 26 oktober 1593. De uiteindelijke instructie voor de muntmeester is gegeven ergens tussen 6 augustus en 27 september 1594.
Voorzijde: Binnen een parelcirkel een vierpas met daarin het opschrift in drie regels. In de buitenhoeken een ruit. Tekst: CIV. / ZVTPHA / NIA; civitas Zutphania, stad Zutphen.
Keerzijde: Binnen een parelcirkel het gekroond wapenschild van de stad gehouden door twee leeuwen, de laatste twee cijfers van het jaartal staan tussen de kroon boven het wapenschild. Onderaan het wapenschild een bladversiering. Tekst: Anepigrafisch.
Wapen van Zutphen
Datum:1687
Slagplaats: Zutphen
Voorschrift: consent van het stadsbestuur van Zutphen van 20 en 30 juli 1687. Uit een mark 112 stuks is ca. 2,197 gram per stuk. De remedie bedroeg 4 stuks.
Deze duiten komen voor in de 1e muntbus opening van muntmeester Herman van Baijen. Deze bus verantwoorde wat was geslagen over de periode 1686-1692. De geslagen munten staan opgetekend in het muntboek van Zutphen over de jaren 1686-1692. Het nawegen van 5 exemplaren leverde twee maal een keurig gewicht op van 2,10 en 2,20 gram, dit is een beter gewicht dan van sommige provincie duiten. Drie andere exemplaren wogen echter slechts 1,60 – 1,70 en 1,85 gram. De berekende oplage door Mr. L.W.A. Besier van dit type is 63056 stuks. In het muntboek van Zutphen is slechts sprake van 2 partijen duiten. De eerste partij van 126 mark kwam gereed op 22 augustus 1687 en de tweede partij van 100 mark op 26 januari 1688. Dit vermelde aantal marken geeft een oplage van slechts ca. 27808 stuks. Het grote aantal nog overgebleven exemplaren doet vermoeden dat er veel meer zijn geslagen dan is vermeld. Hoe Besier aan een oplage van ruim 63000 kwam is mij niet bekend maar zelfs dit aantal is waarschijnlijk nog te laag berekend. Deze duiten komen zeer veel voor en worden veel in de bodem gevonden. In de vondst “Brabant 1701” is dit type zelfs vertegenwoordigt met 53 stuks. Tot nu heb ik 14 verschillende voorzijde en 15 verschillende keerzijde stempels kunnen ontdekken. Als er ca. 8000 stuks geslagen konden worden met een stempel voordat deze versleten was dan is een eerste voorzichtige schatting te maken van ruim 120.000 stuks. Deze duit is nagemaakt naar het voorbeeld van de duiten van Utrecht. Waarschijnlijk was dit type van Utrecht in die periode erg populair. Ook de stad Groningen heeft het type geïmiteerd in 1690 en Reckheim heeft een poging gedaan om het type na te maken. Door de gelijkenis met Utrecht zullen deze duiten gemakkelijker in het geldverkeer zijn aangenomen. De stempels voor deze duit zijn gesneden door Johan Sluyter. Bij waarschijnlijk slechts 1 stempel heeft hij de fout gemaakt om de cijfers van het jaartal om te draaien waardoor het jaar (16)78 in het stempel stond. Hij ontdekte deze fout en heeft de 7 in een 8 veranderd en de 8 in een 7. Er kunnen exemplaren voorkomen welke zijn geslagen over Franse double tournois, zie HIER een exemplaar met nog veel details van de oorspronkelijke Franse munt.
Voorzijde: In een tulpenkrans het opschrift in drie regels. Bovenaan vertrekt de tulpenkrans uit een rozet naar halverwege alwaar twee keer twee ringetjes staan, onderaan vertrekt de tulpenkrans uit een rozet naar boven.Tekst: ... / BAT / ENBVR / GVM / •
Keerzijde: Gekroond en versierd wapenschild met klimmende leeuw naar links omgeven door een gedeeltelijke tulpenkrans naar beneden gericht. Tekst: Anepigrafisch.
Het wapen dat op de koperen duiten staat is dat van Bronckhorst. Dit is een klauwende leeuw in zilver op een rood veld en een gouden kroontje op zijn kop ( waarschijnlijk afgeleid van het Gelderse wapen ).
Muntmeesterteken: Een sterretje komt soms op deze duiten voor.
Slagplaats: Batenburg
Deze duiten van Batenburg worden betiteld als schaars, toch worden ze regelmatig aangeboden voor prijzen die beduidend lager liggen dan sommige catalogi aangeven. Het grote aantal verschillende varianten en de regelmatige aanbiedingen doen vermoeden dat er aanzienlijke aantallen geslagen zijn. Een uitzondering hierop is de duit met de N in spiegelschrift, deze komt veel minder voor dan de andere types. De fout is gemaakt door de stempelsnijder die in spiegelbeeld de stempels moest snijden. De letters die dan de meeste fouten opleveren zijn de N en de S. Recent is een duit van dit type bekend geworden met op de keerzijde het wapen zoals op type BAT.33, zie hier een afbeelding. Ook deze variant is zeldzamer. Een verbodsbepaling uit 1616 te Gelderland uitgevaardigd verbood duiten en schellingen “onlangs te Batenburg geslagen”. Of dit type toen ook al geslagen werd door muntmeester Jacob de Mey (1616-1618) is mij niet geheel zeker. Af en toe duiken deze duiten op als overslag op Ierse pennies op naam van Elisabeth I uit de periode 1601-1602. Op de voorzijde van deze pennies stond een wapenschild en de tekst: ELIZABETH D G ANG FR ET HIBER RE Op de keerzijde stond de afbeelding van een harp en de tekst: POSVI DEVM ADIVTOREM MEVM (ik heb God tot mijn hulp gesteld).
Op de bovenstaande duit staat op de zijde met BAT / ENBVR / GVM links nog duidelijk de E (van Elizabeth) naast resten van het wapenschild. Op de keerzijde zijn nog duidelijk de letters (PO)SVI DEV(M) zichtbaar. Een exemplaar is beschreven in de Beeldenaar 5 (1999), dit is het 2e mij bekende exemplaar. Er zullen waarschijnlijk nog wel meer exemplaren bewaard zijn gebleven maar die zijn nog niet als zodanig ‘ontdekt’.
Muntheer: Karel V, landsheer van de Bourgondische erflanden, 1506-1555
Materiaal: koper
Diameter: 19 mm
Gewicht: 2,1 gr; uitgifte: 2,10 gr
Voorzijde: Gekroonde buste van Karel V naar rechts. Tekst: CA•D•G•V•IMP•HISP•REX•1549
Keerzijde: Klimmende leeuw naar links binnen eenkabelband tussen gladde cirkels rondom.
Datum: 1549
Muntteken:
Muntmeester: Pieter van den Walle ( 1548 -1552 )
Slagplaats: Antwerpen
Op de koperen korten van Karel V staat een klauwende leeuw naar links (1) afgebeeld. Het uitgebreide wapenschild van Karel V komt niet voor op het koperen kleingeld.
De koperen korte was bij ordonnantie van 7 april 1543 ingevoerd. De exemplaren met het muntteken ster, lelie en Gelders kruisje zijn geslagen te Maastricht, Vlaanderen en Nijmegen. Op de Antwerpse exemplaren staat het muntteken handje. Het herkennen van het juiste munthuis kan problemen geven bij gesleten exemplaren. Van deze muntjes gingen er 128 in een mark werks wat een gewicht van 1,92 gram moest opleveren.
Muntheer: Philips II, landsheer van de Spaanse Nederlanden, 1555-1598
Materiaal: koper
Diameter: 20 mm
Gewicht: 1,5 gr; uitgifte: 1,91 gr
Voorzijde: Gekroonde buste van Philips II naar rechts. Tekst: PHS D G HISP REX D BR
Keerzijde: Gekroond wapenschild van Oostenrijk-Bourgondië. Tekst: DOMINVS MIHI AVDIVTOR
1 = Wapen van Oostenrijk (in rood een zilveren dwarsbalk). 2 = Wapen van nieuw Bourgondië (blauw bezaaid met gouden lelies). 3 = Wapen van oud Bourgondië (geschuinbalkt van goud en blauw, rood omzoomd). 4 = Wapen van Brabant (in zwart een gouden leeuw, rood getongd). 5 = Wapen van Vlaanderen (in goud een zwarte leeuw, rood getongd).
Datum: z.j. ca. 1569-1578
Muntteken:
Slagplaats: Antwerpen
Voorbeeld voor Maastricht
De korte was een munt die een waarde had van 2 mijten. De mijt bestond er in twee soorten, de Vlaamse mijt van 1/48 stuiver en de Brabantse mijt van 1/72 stuiver. De eerste korten zijn geslagen in de 14e eeuw van biljoen (legering van zilver met veel koper). Net als Karel V heeft ook Philips II ze aangemunt van zuiver koper met een gewicht van 1,92 gram wat later bij de Statenkorten is verlaagd naar 1,2 gram.