Gevonden door Mark Volleberg
Materiaal: koper
Diameter: 19 mm
Gewicht: 1,65 gr
Voorzijde: Een tulpkrans met daarin de tekst in 4 regels ·D· / GEL / RIÆ / 1690 Voluit: ducatus Gelriæ, wat betekent: hertogdom Gelderland.
Keerzijde: Gekroond wapen van Gelderland ( II ). Tekst: .IN. DEO. SP. NOS. (of variant). Voluit: in Deo spes nostra, wat betekent: onze hoop in de Heer.

Wapen van Gelderland
Muntmeester: Johan van Brienen 1690 – 1695
Muntmeesterteken: eenhoorn, komt niet op de duiten voor
Slagplaats: Harderwijk
Op 7 augustus 1691 verscheen een plakkaat van de Staten-Generaal waarin maatregelen werden genomen om het verval in de muntslag aan te pakken. Onder punt 1 werd geschreven “Eerstelijck, dat aanstondts met den slagh van Payementen, op alle de Munten deser landen, soo Provinciale als Rijcks-munten, sal moeten werden opgehouden, en dat voortaen geen Payementen meer sullen mogen werden geslagen; dat oock by eenige Provincien in het particulier, daer toe geen consent ofte permissie sal mogen werden verleendt”. Onder de term payement vielen ook de koperen duiten, deze mochten dus na 7 augustus 1691 tot nader order niet meer aangemunt worden. In 1694 klaagden Raden en Generaal meesters der munt over het ongeoorloofd payementen slaan op de Gelderse munt door een groot aantal dagloners. Dat zij tevens klaagden over het aantal dagloners doet vermoeden dat er ook afspraken waren gemaakt over het maximum aantal werknemers in het munthuis. Hof en rekenkamer van Gelderland verklaarden daarop dat er slechts 14 beëdigde munters hadden gewerkt. Zij hadden in de periode 7 tot 14 februari 1694 ongeveer 3600 mark koper tot duiten verwerkt (met welk jaartal is niet duidelijk). Deze aanmunting viel volgens hen niet onder de term payement en zij vonden dat er geen sprake was van een overtreding van het plakkaat. Volgens de Generaalmeesters had Gelderland echter wel degelijk de afspraken geschonden en getuigde het van grote onkunde op het gebied van de muntslag om duiten niet als payement te zien. Men verzocht dringend om zich in de toekomst met een eerlijke muntslag bezig te houden. Het is goed mogelijk dat de duiten die geslagen zijn allen het jaartal 1691 hebben gedragen. Dit jaartal komt zeer veel voor terwijl de jaren 1692 en 1693 nooit voorkomen. Volgens Purmer en van der Wiel bestaan deze jaren wel, ik heb ze nooit gezien. Verder werd er op 22 september 1694 een verbod uitgevaardigd op de duiten uit Emmerich (Kleef) en Roermond. Er schijnt een duit voor te komen van 1699 welke vermeld wordt als zijnde een proefstuk24. Dit is waarschijnlijk het type dat bekend is als zilveren afslag uit 1699. Waarschijnlijk is deze proef niet verder uitgewerkt omdat er mogelijk al bekend was dat er iets stond te gebeuren op het gebied van de muntcirculatie. Tijdens de kopergeld sanering, zie hier onder, zijn er o.a. te Deventer duiten geklopt met een adelaar. Zie hier een voorbeeld van een Gelders exemplaar van 1691.
Voorschrift: resolutie 7 maart 1663 van het Hof en rekenkamer van Gelderland. Uit de snede 120 is ca. 2.0507 gram per stuk. De remedie bedroeg 4 stuks. Het voorschrift is gewijzigd volgens resolutie van 12 november 1678. Het aantal stuks uit de snede werd gewijzigd naar 116, ca. 2,121 gram per stuk. Ook weer met een remedie van 4 stuks. De sleischat was in zijn geheel voor de muntmeester.
Referentie
GEL.100
Gedetermineerd door Mark Volleberg