Gevonden door Mrots Daerden
Materiaal: koper
Diameter: 26 mm
Gewicht: 2 gr
Voorzijde: Een wapenschildje met twee kwartieren gelegen op een scheef geplaatst stokkenkruis. De armen van het stokkenkruis kunnen op verschillende plaatsen de binnenrand en de tekst doorbreken. Boven het wapen een kroon en aan weerszijden de cijfers van het jaartal. Tekst:
MO: POSS: PRIN IVL. E. MON (of variant). Voluit: moneta possidentes Iuliae et Montensis, wat betekent: munt van de bezittende vorsten van Gulik en Berg.
Keerzijde: Een gekroond wapenschild met zes kwartieren. De kroon doorbreekt de binnenrand. In de zes kwartieren staan de wapens van Gulik, Kleef, Berg, Mark, Ravensberg en Meurs. Tekst: IVSTITIA. THRONVM. FIR (of variant). Voluit: iustitia thronum firmat, wat betekent: gerechtigheid is stevig gezeteld.

1: Gulik (leeuw).
2: Kleef (karbonkel).
3: Berg (gekroonde leeuw)
4: Mark (gekanteeld veld).
5: Ravensberg (3 chevrons).
6: Meurs (faas).
Muntmeester: Johan Wijntgens
Muntmeesterteken: 
Slagplaats: Huissen
Het oortje met het jaartal 1609 met de volledige tekst: IUSTITIA. THRONUM. FIRMAT is waarschijnlijk net als de taler en de eerste schilling geslagen om de machtsovername van de bezittende vorsten in dat jaar te gedenken. De overname van de macht door de twee bezittende vorsten word hier uitgedrukt door te stellen dat de overname gerechtigd was en dat de gerechtigheid nu stevig gezeteld was. De overige oorden met het jaartal 1609 hebben deze tekst in meerdere of mindere mate afgekort. Al snel zijn de oorden geslagen met het werkelijke jaartal van aanmaak namelijk 1611. Van de oorden met het jaartal 1611 bestaan exemplaren waarbij bedrieglijk onder aan het wapenschild een vage afbeelding van het teken van het gulden vlies is geplaatst. Zo lijken deze oorden nog meer op die uit de zuidelijke Nederlanden zodat zij waarschijnlijk gemakkelijker van de hand gingen. De afbeelding van dit gulden vlies is bedrieglijk omdat geen van de twee Duitse bezittende vorsten in 1611 de orde van het gulden vlies bezat. In een opgave aan de kreits blijkt dat de oorden alleen zouden zijn geslagen in de periode juni-juli 1611. Er is ca. 632 Keulse mark aan koper verwerkt tot oorden, bij een gemiddeld gewicht van 3,32 gram
geeft dit een oplage van ca. 44469 stuks. Het oord met het jaartal 1614 is recent terug gevonden en is met hoge waarschijnlijkheid geslagen te Mülheim. Terwijl Hendrik in hechtenis zat was de Rijn buiten zijn oevers getreden en was het munthuis te Mülheim onder water komen te staan. De generaalwaardijn van de kreits haalde daarop de muntstempels uit het munthuis en nam deze in bewaring. In een kist werden roestende stempels gevonden voor schillingen, appelgroschen, fettmännchen en örtchen oder düttchen. De in de kist aangetroffen stempels voor schillingen zullen voor Gulik-Bergse exemplaren zijn geweest, de overige stempels zullen het jaartal 1614 hebben gedragen bestemd voor Werdense munten; deze dragen het muntmeesterteken lelie van Hendrik Weijntges. De vermelding van stempels voor örtchen oder düttchen is interessant. Toevallig is dit jaar (2022) een liard gevonden in Épinois (Henegouwen België) met het jaartal 1614. De uitvoering is zoals deze te Huissen zijn geslagen met de jaartallen 1609 en 1611. Dit stuk draagt echter het jaartal 1614 en heeft een typisch kenmerk zoals die ook op liards van Thorn te vinden zijn namelijk de uitvoering van het scheefgeplaatste kruis, waarschijnlijk zijn de stempels gesneden door dezelfde stempelsnijder. Het is aannemelijk dat deze liards in een zeer kleine oplage zijn geslagen in de munt van Mülheim en dat de vermelding van de stempels voor örtchen oder düttchen op
Referentie
HUI.10
Gedetermineerd door Tom Daerden